donderdag 19 december 2013

Recensie Ons bloed / PS|theater

Herkenbaar vader-zoon relaas

Thijs Huys en Wil van der Meer. Foto Rob Overmeer













Het is een onvermijdelijk moment. Op een dag kijk je in de spiegel en zie je je eigen vader of moeder staan. ‘Ik ben nog nooit in mijn leven zo geschrokken,’ zegt de zoon erover in Ons bloed van PS|theater. Tussen hem en zijn vader ligt namelijk ook een wereld van verschil, teleurstelling en onbegrip.

Senior (Wil van der Meer) heeft altijd hard gewerkt als slager in de ‘zoete geur van warm bloed, urine en stront’. Hij is nooit voor iemand bang geweest, behalve dan misschien voor zijn eigen zoon (Tijs Huys). Die weigert hem op te volgen en is niets meer dan een welriekend ‘dirigentje’ geworden.

Het vader-zoon portret in de voorstelling Ons bloed is onderdeel van ‘De atlas van Leiden’, een meerjarig theaterproject waarmee het Leidse PS|theater verdriet, hoop, geloof en vergeten van de stad in kaart probeert te brengen. In het kader van het lemma hoop, onderzochten de theatermakers de diep gekoesterde verwachtingen van ouders in familiebedrijven. 

In Ons bloed heeft de zoon tot grote teleurstelling van zijn vader nooit interesse getoond in de familieslagerij. Hij maakt carrière in de stad en komt nog maar zelden thuis. Pas als zijn vader stervende is, zoekt hij hem met het lood in de schoenen op.

Al in de eerste zinnen loopt de communicatie spaak. In plaats van te vragen hoe het met zijn zoon gaat, vist de vader naar zijn salarisstrookje en het merk van zijn auto. Als de zoon zijn passie voor muziek als ‘dragen en gedragen worden’ omschrijft, roept zijn vader geërgerd: ‘Wat lul jij toch raar man.’
Onder elke zin broeit oud zeer, die de acteurs in korte flashbacks verklaren. De vader heeft het gevoel dat zijn zoon al vanaf zijn geboorte dwars door hem heen kijkt en met diens boeken en muziek zijn leven waardeloos maakt. De zoon zocht een leven lang tevergeefs naar geborgenheid en liefde. Helaas stonden er teveel dikbillen tussen. ‘Mijn vader houdt van koeien,’ zegt hij verbeten. Ontroerend is de scène waarin hij zijn vaders hand op zijn krullenbol legt en zijn hoofd heen en weer beweegt om alsnog een streling te voelen.

De vormgevers (Conrad van der Ven en José van Beek) vergroten de spanning in het ouderlijk huis door met gezellige lampenkappen een bloederig karkas te belichten. Op de achtergrond worden schlagers en klassieke orkestklanken vermengd met ijselijk koeiengeloei en het snerpende geluid van snijmachines.

Op schaarse momenten komen de vader en zoon even bij elkaar. Ze dansen en zingen beiden getalenteerd ‘Smout, vet, espe en spek’ en ‘Mijn mooiste schilderij ben jij’ of betrappen elkaar op het fluiten van hetzelfde deuntje in tweekwartsmaat. Aan het eind wast de zoon zijn zieke vader liefdevol in bad.
Het zijn veel dijken van clichés, maar regisseur Pepijn Smit maakt er wel prachtige plaatjes van, die de acteurs met veel humor vorm geven. Goede vondst is om beide acteurs in dezelfde witte onderhemden zowel de vader als de zoon te laten spelen. Ze maken daarbij mooie overgangen tussen de verschillende spelperspectieven, waarbij een woest met de armen zwaaiende vader vloeiend in een driftig dirigerende zoon transformeert. Het benadrukt hun ijzersterke bloedband, maar ook de idee dat elke vader ooit een veelbelovende zoon was en elke zoon een teleurgestelde vader in spe.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen