dinsdag 7 mei 2013

Interview Familie Greidanus

Allemaal kind aan huis bij de Appel

Kay, Pauline, Aus sr. en Aus jr. Greidanus














Het zal geen verrassing zijn. De familie Greidanus spreekt het liefst af in haar geliefde Haagse Appeltheater. In de ruime keuken zitten Aus Greidanus sr. (1950) en zijn drie acterende kinderen: Aus Greidanus jr. (1975) en Pauline Greidanus (1976) uit zijn huwelijk met actrice Sacha Bulthuis (1948-2009) en Kay Gredanus (1991) uit zijn relatie met actrice Martine de Moor. Koks en technici bereiden de voorstelling en het diner van Volle maan voor en begroeten en omhelzen de familie hartelijk. De acterende kinderen Greidanus spelen niet allemaal bij De Appel, maar zijn er kind aan huis.

Het was opa Aad Greidanus die in 1971 samen met Erik Vos Toneelgroep De Appel oprichtte en de eerste zakelijk leider werd. Zoon Aus sr. liep er al tijdens zijn opleiding stage, speelde er samen met Sacha bijna zijn hele carrière en werd in 1996 artistiek leider. Aus jr. regisseerde er twee jaar geleden voor het eerst en speelde in twee voorstellingen. Paulines tweelingzus staat achter de bar en er zit ook nog een tante achter de kassa. Toch willen de acteurs hun werk absoluut niet laten beïnvloeden door familiebanden. Aus jr.: ‘Het regisseren of spelen is hier niet wezenlijk anders dan bij andere gezelschappen.’

Wat betekent het Appeltheater voor jullie?
Pauline: ‘Mensen mogen mij, mijn broers en ouders afkraken, maar als ze iets slecht over De Appel zeggen, raak ik geïrriteerd. Ik heb hier zoveel meegemaakt. Wij woonden vroeger heel klein, mijn zus en ik sliepen in een stapelbedje in een kamer van twee bij drie meter. Maar hier mochten we op de grote kostuum- en rekwisietenzolder spelen. Het was natuurlijk de ultieme verkleedkist. Toen we ouder waren keken we van onder de tribune door de spijlen naar de voorstellingen. Dan zag je de acteurs spelen en hoorde je tegelijkertijd de reacties van de mensen. Dat was altijd heel spannend.’
Kay: ‘Ik weet nog dat ik heel gefascineerd was door alle knopjes in het techniekhok en door de acteurs die zich in de kleedkamer aan het voorbereiden waren. Zeker met schmink op waren het voor mij allemaal heel gekke, vreemde mensen.’
Aus jr.: ‘Gek genoeg staan de verhalen uit mijn jeugd wel heel erg los van het werk dat ik er nu doe.’


Wilden jullie altijd al zelf acteur worden?
Aus jr.: ‘Het was voor mij helemaal geen uitgemaakte zaak. Het liefst wilde ik na mijn eindexamen eerst een tijd helemaal niks doen. Maar ik werd als allerlaatste lichting opgeroepen voor militaire dienst en tot mijn schrik ook nog goedgekeurd. Om daaronder uit te komen, moest ik direct aan een opleiding beginnen. Ik heb nog overwogen politicologie of filosofie te gaan studeren, maar ik had na zeven jaar middelbare school geen zin om weer direct in de collegebanken te gaan zitten. Daarom deed ik auditie voor de toneelschool.’
Pauline: ‘Ik dacht er vroeger niet echt over na. Ik keek heel erg op naar mijn broer en wilde alles doen wat hij deed. Toen hij naar de toneelschool ging, wilde ik dat dus ook. Als hij economie was gaan studeren, dan was ik dat waarschijnlijk ook gaan doen.’
Kay: ‘Tussen mijn twaalfde en zestiende
wilde ik vooral sporten en straaljagerpiloot worden. Pas daarna kwam die fascinatie voor theater terug. Ik belandde in een voorstelling van theaterhuis Alba en was meteen weer helemaal verkocht.’
Wat deed jullie twijfelen?
Pauline: ‘We merkten hoe tijdsabsorberend theater is. Onze ouders waren voor mijn gevoel vaker weg dan de meeste ouders. Daar had ik het soms wel moeilijk mee. Ik had ze wel iets langer thuis willen hebben.’
Kay: ‘Mijn vader was altijd met theater bezig en zat heel veel hier. Mijn moeder speelde in jeugdtheatervoorstellingen, waar ik vaak naar ging kijken. Daarbij gaf ze les op een jeugdtheaterschool, waar ik uit gemak ook vaak mee naartoe ging. Het was op een bepaald moment gewoon te veel theater. Op mijn twaalfde had ik er helemaal genoeg van.’
Aus sr.: ‘Ik was ook altijd terughoudend. Ik wilde dat ze goed wisten waar ze aan begonnen. Ik ken alle hoeken en gaten van het vak en weet dat het ook heel moeilijk kan zijn. Ik heb zelf vijftien jaar moeten worstelen om een beetje op het niveau te komen van mijn vrouw, die na twee jaar al een Theo d’Or won. Het is een prachtig vak als je de kans krijgt om ook echt de rollen te spelen die je graag wilt spelen. Maar daarvoor ben je als acteur wel afhankelijk van talent, geluk en een regisseur. Het is een heel kwetsbaar vak. Ook omdat je je eigen product bent. Het is heel erg bevredigend als je succes hebt, maar het raakt je ook heel persoonlijk als je dat niet hebt.’

Hebben jullie ouders in het begin veel geholpen?
Pauline: ‘Onze ouders hebben ons altijd gestimuleerd om het zelf te doen, zodat we later trots op onszelf konden zijn. Nu ik veertien jaar in het vak zit en alles op eigen kracht heb gedaan, vind ik dat ook heel bevredigend. Ik heb trouwens wel één keer geoefend met mijn moeder, maar ik weet nog dat ik toen opeens heel nerveus werd. Mijn moeder was een van de besten in haar vak, het is heel raar als je daar als kuiken voor staat. Ik oefende liever met iemand die minder geslaagd was.’
Aus sr.: ‘Ik heb ze nooit geholpen bij audities of zo. Dat zou hetzelfde zijn als van tevoren de vragen van de Cito-toets doornemen. Dan haalt je kind misschien wel een hoger cijfer, maar later heeft het er natuurlijk niets aan. Ze kijken bij audities bovendien erg naar persoonlijkheid en die kun je niet in één of twee dagen in elkaar zetten. Ik had er ook wel vertrouwen in dat ze die zelf in huis hadden.’

Geven jullie elkaar nu nog weleens advies?
Pauline: ‘Nee, dat zou heel raar zijn. Wie ben ik om mijn familieleden te zeggen hoe ze moeten spelen? Dat zou ik heel arrogant en onaardig vinden. Ik zou het niet in mijn hoofd halen! Wij zijn ook niet zo’n gezin dat elke zondag bij elkaar komt eten of zo. Echt allemaal samen zijn we alleen met kerst, als we mazzel hebben.’
Kay: ‘Ik ben altijd heel benieuwd wat zij van mijn spel vinden. Ik ben de allerkleinste pummel van de familie. Zij hebben veel meer ervaring en weten meer dan ik.’
Aus jr.: ‘Ik probeer altijd te gaan kijken als de anderen spelen. En natuurlijk reageer ik dan op de voorstelling na afloop, maar ik doe dat niet anders dan bij collega’s. De familieband speelt daarbij geen rol.’

Bestaat er een Greidanus-stijl?
Aus sr.: ‘Als ik naar mijn kinderen op het toneel kijk, dan zie ik totaal geen overeenkomsten, ik zie heel autonome persoonlijkheden.’
Aus jr.: ‘Allicht hebben we dingen met elkaar gemeen, want we zijn familie. Maar ik heb niet het gevoel dat ik als acteur minder van hen verschil dan van drie willekeurig andere acteurs. Mijn vader heeft bijvoorbeeld heel lang met Erik Vos gewerkt en ik met Johan Simons, wat een heel andere school is.’
Pauline: ‘We zijn ook in een heel andere tijd opgeleid. Mijn ouders hebben hun opleiding in de jaren zeventig gehad. Dat was een roerige tijd met de Aktie Tomaat en verzet tegen de gevestigde orde. Van wat zij toen op school leerden, kregen Aus en ik bijna niets meer. Ik heb trouwens de Amsterdamse toneelschool gedaan en Aus Maastricht, dat zijn eigenlijk ook al totaal verschillende leeropleidingen. Aus was na school veel beter in taal en teksten, ik had dan weer meer tijd gekregen om een eigen stijl te ontwikkelen. Kay is ook naar Maastricht gegaan, maar dat was nog eens tien jaar later en dus ook weer helemaal anders. Bovendien hebben we heel weinig samengewerkt en hebben we elkaar op die manier dus ook niet kunnen na-apen.’

Wat zijn die verschillen?
Aus sr.: ‘Ik kom uit het episch theater. Ik gebruik theater als middel om iets te bereiken. Ik vertrek vanuit de vorm, vanuit: “Dit houten blok is een kroon en dit masker de koning.” Aus en Pauline identificeren zich in een rol en gebruiken meer psychoanalyse. Kay heeft dan weer de kwaliteit om voor de camera zogenaamd niet te spelen, om kijkers het gevoel te geven dat het naar een karakter kijkt dat zich niet van hun blik bewust is.’
Pauline: ‘Kay heeft op televisie een heel zuivere aantrekkingskracht. Ik speel daarvoor te groot en te onnatuurlijk. Mijn vader is fantastisch in de techniek van de commedia dell’arte. Hij kan alleen met lichaamshouding een publiek ontroeren. Aus jr. trekt de emotionele, psychologische rollen naar zich toe. En ik verschil alleen al omdat ik een vrouw ben.’

Hebben jullie dan helemaal niets met elkaar gemeen op het toneel?
Aus sr.: ‘Ik zie wel dat Aus en Pauline ieder op hun manier een bepaalde kracht hebben om het publiek naar zich toe te trekken. Hoe je dat moet noemen weet ik niet, maar Sas kon dat ook als geen ander. Zij kon zodanig vanuit haar eigen existentie naar een rol transformeren dat het publiek totaal in haar geloofde. Het leek alsof zij haar rol niet speelde, maar het karakter was. Er waren dan ook altijd collega’s die tegen haar zeiden: “Je speelt helemaal niet.” Maar dat deed ze natuurlijk wel.’


Is er iets wat jullie nog wel zouden willen overnemen van jullie vader?
Kay: ‘Ik zou zijn fysiek op het toneel, zijn commedia dell’arte-talent, wel willen beheersen. Ik heb op de toneelschool ook twee clownsvoorstellingen gemaakt om dat bij mezelf op te zoeken.’
Aus jr.: ‘Waar ik wel jaloers op ben is zijn ijver als het gaat om het leren of uitzoeken van nieuwe dingen. Of het nu gaat om de enorme hoeveelheid research voor grote projecten als Herakles of het aankomende Casanova, het verbouwen van een huis of iets ingewikkelds uit een kookboek. Dat geduld heb ik niet. Ik wil iets meteen heel goed kunnen, zonder gedoe. Ik lees ook nooit de boekjes van nieuwe apparaten, ik zet ze gewoon aan. Om te kunnen regisseren is vooronderzoek natuurlijk het halve werk, dus die discipline en nieuwsgierigheid moet ik mezelf opleggen.’
Pauline: ‘Aus sr. is een selfmade man. Hij is helemaal vanuit niets begonnen, had zelfs geen lagereschoolopleiding, en heeft zich opgewerkt als artistiek leider van een gezelschap. Ondertussen heeft hij ook nog eens een groot deel van het ouderschap op zich genomen. Ik zou zijn geloof dat alles goed komt wel willen hebben. Hij probeert altijd een oplossing te vinden en daarnaar te leven.’
Kay: ‘Ik vind de anekdote altijd grappig dat in zijn eerste recensie stond: “Er was ook nog ene Ans Gerdans. Niet kunnen spelen, niet kunnen zingen, snel vergeten deze acteur.” Als je dan nu ziet wat hij zoveel jaren later allemaal heeft gedaan!’

Jullie hebben opvallend weinig samengewerkt. Was dat een bewuste keuze?
Pauline: ‘Er zijn ooit wel voorstellen gedaan, maar toen was het nog niet verstandig dat te doen omdat we ons nog niet genoeg hadden vrijgevochten van onze naam. Ik zou het nu wel ontzettend leuk vinden. Iedereen weet nu wel dat we allemaal andere acteurs zijn en elkaar niet nodig hebben.’
Aus jr.: ‘In Herakles speelde ik samen met mijn vader. Ik heb inmiddels genoeg gedaan, vind ik, om me niet meer te hoeven verantwoorden dat ik bij het toneelgezelschap van mijn vader zit. Maar ik zou er niet aan moeten denken om in een familiestuk van Ibsen zijn zoon te spelen. Het gevaar is dat het dan een gimmick wordt. Ik denk dat ik dan door de ogen van de toeschouwers naar mezelf zou zitten kijken: “Kijk die vader en zoon vader en zoon spelen.” Ik denk dat ik dan last zou krijgen van een vreemd soort zelfcensuur.’
Aus sr.: ‘Mensen gaan dan aan dingen denken die irrelevant zijn voor het stuk, terwijl je het puur over het stuk wilt hebben.’
Pauline: ‘Het zou leuk zijn om ergens samen te spelen waar niemand weet dat we familie zijn, in Hongarije of zo. Dan ziet het publiek gewoon acteurs die een goed of slecht stuk spelen. Al is het in Nederland commercieel gezien misschien wel interessant…’
Aus jr.: (lacht hard) ‘Ik denk niet dat de zalen gaan uitverkopen als wij met zijn vieren op het toneel gaan staan.’

Aus Greidanus jr. speelt tot en met 11 mei in Volle maan bij Toneelgroep De Appel, Kay Greidanus speelt tot en met 31 mei in Strange interlude van het Nationale Toneel 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen