maandag 1 april 2013

Interview Familie Croiset

‘Het belangrijkste is dat je ogen spreken’

‘In 1800 is de eerste kermisklant uit de familie al gesignaleerd!’ vertelt acteur Jules Croiset (75) in zijn appartement in Amsterdam-Zuid. Hij wijst naar de muur waaraan tekeningen van grote acteurs uit de familiegeschiedenis hangen: ‘Bompa Verstraete’ als clown in de voorstelling Circus Knie, zijn vader Max Croiset als Jerolimo Rodrigo in de Spaanschen Brabander en hijzelf als Hotspur in Richard III. Nog steeds spelen de Croisets grote rollen. Jules staat momenteel in De kersentuin van Hummelinck Stuurman Theaterbureau, zijn broer Hans in Strange interlude bij het Nationale Toneel. Jules’ zoon Niels (1974) toert met zijn eigen improvisatiegezelschap Nachtgasten en Vincent (1972) reist met Terug naar de kust van Bos Theaterproducties. Vincent woont samen met actrice Tjitske Reidinga, met wie hij drie kinderen heeft. ‘Kleinzoon Foppe Jules is achtenhalf en vindt het toneel ook al prachtig,’ zegt Jules Croiset trots. ‘Mijn grootste lol zou zijn als ik hem nog zou kunnen zien spelen. Ik zou het leuk vinden als de lijn wordt doorgezet.’ 

Hadden jullie met zo’n voorgeschiedenis ook kunnen besluiten om geen acteur te worden?
Jules: ‘Het was voor mijn broer en mij in elk geval iets vanzelfsprekends. We hebben er eigenlijk nooit over nagedacht om iets anders te doen. Ik heb ook twee linkerhanden, ik zou bij God niet weten wat ik anders zou moeten doen.’
Vincent: ‘Ik wilde het al heel vroeg en heel graag, maar heb het wel altijd als een eigen keuze ervaren.’
Niels: ‘Ik wilde heel lang notaris worden. Op school had ik een volledig bètapakket en ik heb enkele maanden stage gelopen op een notariskantoor. Uiteindelijk hebben mijn twee beste vrienden me ervan overtuigd toch maar de vooropleiding te proberen, zodat ik later geen spijt zou krijgen. Daar ontdekte ik pas dat toneel ook iets voor mij was, al heb ik ook toen nog lang getwijfeld. Zowel na mijn tweede als vierde jaar toneelschool ben ik even iets anders gaan doen. Inmiddels is die twijfel over. Ik heb nu geaccepteerd dat het mijn roeping is.’

Bestaat er dan toch een theatergen?
Jules: ‘Het heeft me altijd geïntrigeerd. Ik stond als kind van zeven al op het balkon te oreren. Ik geloof misschien niet in een specifiek theatergen, maar wel in een kunstenaarsgen, een soort behoefte aan kunst. Van mijn ooms en tantes aan de Verstraete-kant zijn alleen de kinderen van Bob niet aan het toneel gegaan. Dat is toch heel merkwaardig.’
Vincent: ’Er zal ongetwijfeld wel iets van talent geweest zijn, maar het gaat toch om wat je ermee doet. Je moet het als acteur toch zelf doen en daar heb je ook heel veel doorzettingsvermogen voor nodig. Ik heb er hard voor gewerkt.’
Niels: ‘Ik heb altijd gedacht dat ik nooit acteur zou zijn geworden als ik in een ander gezin was opgegroeid. Niets in mij zocht het podium of het middelpunt.’

Wat kregen jullie als kind thuis mee van het beroep van jullie vader?
Niels: ‘Tot mijn twaalfde ging ik vrij veel kijken naar mijn vader. Sommige stukken zag ik wel drie keer. Ik weet dat mijn broertje en ik bijvoorbeeld helemaal fan waren van een Hamlet waarin Jules Royaards in de rol van doodgraver als een Louis de Funès met lange mouwen om zich heen sloeg. In mijn pubertijd ben ik nooit meer gegaan. Ik was er een beetje klaar mee. Dat klinkt hard, maar het was wel zo. Ik ging toen bewust op zoek naar andere dingen die ik leuk vond.’ 
Vincent: ‘Ik vond het theater al snel een heel leuke wereld waarin ik me thuis voelde. Er kwamen veel acteurs op bezoek en dat vond ik aardige mensen. Ik heb samen met mijn broertje ook vaak licht en geluid gedaan bij de solovoorstellingen van mijn vader. Ik denk dat ik daar een bepaalde gevoeligheid voor theater ontwikkeld heb. En we kregen thuis natuurlijk ook toneelles, net zoals mijn vader vroeger.’

Toneelles tussen de schuifdeuren?  
Jules: ‘Ik moest van mijn vader teksten voorbereiden en als ik dan van school kwam, ging hij me in de achterkamer regisseren. Mijn moeder Jeanneke zag ik niet zoveel. Mijn ouders waren al vroeg gescheiden. Maar ook met haar heb ik een paar keer gewerkt. Zij was dol op Vondel, ik weet nog dat ik voor haar een scène uit Gijsbrecht van Aemstel uit mijn hoofd heb geleerd. Later deed ik met mijn kinderen hetzelfde. Toen ze kenbaar maakten dat ze ook naar het toneel wilden, ben ik heel intensief begonnen met scènes van Tsjechov, Shakespeare en gedichten. Die lessen verschilden niet zoveel met die van mijn eigen vader. Al was hij als leraar wel iets strenger en gedisciplineerder dan ik.’
Vincent: ‘Tussen mijn twaalfde en zestiende heeft hij ons veel oud-Hollandse gedichten leren voordragen, zoals Boerke Naas van Guido Gezelle en veel Bredero. Hij heeft ons op die manier een enorme taalgevoeligheid bijgebracht. Als ik in klassieke teksten met ritmes en jamben zit te klooien, komen die oude lessen vaak weer bovendrijven.’

Wat was de belangrijkste les?
Jules: ‘Ik was altijd heel overdreven en gebruikte veel te veel gebaren. Mijn vader zei altijd dat je nooit meer dan zeventig procent mocht laten zien en dat je dertig procent moest overlaten aan het invullingsvermogen van het publiek.
Zelf vind ik het belangrijkste dat je ogen spreken. Je kunt op het toneel de mooiste clausen staan zeggen, maar als er niets in de ogen gebeurt, gebeurt er ook niets in het wezen. En je moet natuurlijk goed praten en goed articuleren.’
Vincent: ‘Ik heb van mijn vader geleerd dat het ritme van de taal belangrijk is en dat je daar altijd naar op zoek moet gaan in een tekst en het moet gebruiken.’

Geven jullie elkaar nog steeds advies?
Niels: ‘Als ik een verhaal voor Nachtgasten heb geschreven laat ik het regelmatig lezen aan mijn vader en dan zegt hij zinnige dingen. We gaan ook vaak naar elkaars try-outs.’
Jules: ‘We praten zeker over wat we gezien hebben van elkaar. Soms bellen we na een voorstelling om twaalf uur nog even bij elkaar aan om een portje te drinken en na te praten. Tjitske wil zelfs niet op als ik niet eerst bij een generale ben komen kijken. Ik leer ook ontzettend veel van mijn twee zonen en schoondochter. Ze behoeden me voor mijn te zware speelstijl, houden me duvelsgoed bij met wat er nu aan de gang is op het moderne toneel en van Niels hoor ik fantastische verhalen over improvisatie.’

Is jullie vader ook jullie ‘toneelvader’ of belangrijkste mentor?
Jules: ‘Vader Max was echt een leraar, een van de allerbesten aan wie ik veel te danken heb. Maar ook meer een leermeester dan een vader. Mezelf zie ik nu in eerste instantie als een gewone vader van twee leuke, inspirerende jongens.’
Vincent: ‘Ik heb van heel veel verschillende collega’s en docenten geleerd. Ik zie daarom niemand als mijn grote toneelvader.’
Niels: ‘Ik noem dan Koos Terpstra. Mijn eerste stage tijdens de toneelschool was bij het Ro Theater onder zijn regie. Door die ervaring wilde ik ook na mijn opleiding bij zijn toenmalige gezelschap Noord Nederlands Toneel in Groningen gaan spelen. Nadat ik enkele projecten met mijn familie had gedaan, wilde ik daar mijn eigen identiteit en stijl gaan ontdekken. Ik heb er uiteindelijk vijf jaar gewerkt. Koos was het tegenovergestelde van mijn familie. Hij was minder bezig met klassiek theater en mooi teksten zeggen. Hij zocht veel meer het oorspronkelijke en menselijke op. Bij hem heb ik mijn Croiset-achtergrond van me afgegooid.’

Wat betekende die Croiset-achtergrond?
Jules: ‘Ik was als kind reuzetrots op die naam en op mijn beroemde vader. Later ging ik pas ontdekken dat het ook een last kan zijn en dat die naam veel verwachtingen oproept.’
Niels: ‘De invloed is relatief geweest. Ik denk dat het zowel positieve als negatieve effecten heeft gehad. Als het een weegschaal was, zou de wijzer in het midden staan. Ik heb vroeger serieus met de gedachte rondgelopen mijn achternaam te veranderen. Ik wilde dat mensen naar míj keken. Maar ik haat de naam zeker niet. Ik zeg vaak dat ik al de vijfde generatie acteur ben. Het gaat terug tot 1900! En als ik in een oude serie of film mijn opa of oma voorbij zie komen, ben ik ook heel trots.’
Vincent: ‘Ik sta er ook een beetje dubbel in. Ik heb zeker periodes gehad dat het me makkelijker leek om een andere naam te hebben en dat ik op feestjes met veel acteurs alleen maar mijn voornaam noemde. Op een gegeven moment* heeft die naam toch een smetje opgelopen. Maar ik vind het wel een mooie naam en ik vind het bijzonder dat de familie al een eeuw in het theater werkzaam is. Het heeft me zeker ook geholpen aan een netwerk. Al hoop ik dat mijn talent toch de hoofdoorzaak voor mijn carrière is.’ .

Is er een typische Croiset-speelstijl?
Niels: ‘Mensen zullen wel zeggen dat het bombastisch, gedragen, klassiek teksttoneel is. Maar ik vind het een vervelende vraag. Die familiestijl heb ik net van me afgeschud. Bij het NNT ben ik heel erg op zoek gegaan naar wat ik zelf wilde maken. Ik improviseer nu ook veel en dat is natuurlijk een andere manier van spelen.’
Jules: ‘Mijn vader was een fantastische voordrachtkunstenaar en ik denk dat we allemaal goed en duidelijk kunnen praten en verhalen kunnen overbrengen. Van Onze-Lieve-Heer hebben we daarvoor ook een prachtige stem meegekregen.’

Wat voor stem is die Croiset-stem?
Jules: ‘De toon is diep, muzikaal, niet hard. Veel mensen voelen zich er behaaglijk bij. Daarom doe ik nu bij De kersentuin ook de inleidingen.’
Vincent: ‘Het heeft te maken met de bouw van ons strottenhoofd. Het is een redelijk uniek geluid met tegelijkertijd een soort laagte en hoogte.’
Niels: ‘Onze stemmen liggen heel dicht bij elkaar. Ik kan goed mijn vader nadoen. Dan moet ik alleen iets langzamer en meer gedragen praten. De stemmen van mij en mijn broer lijken zo op elkaar dat we elkaar kunnen vervangen bij het inspreken van commercials. Ik moet mijn broer dan wel imiteren. Er zit een kleine nuance in.’

In Dood van een handelsreiziger in 2003 werkten jullie met vier Croisets samen. Jules speelde de handelsreiziger Willy Loman, Vincent en Niels zijn zonen en Hans had de regie. Hoe kijken jullie hierop terug?
Jules: ‘Op zich was het best een goede voorstelling. Er ontbrak alleen iets en dat kwam omdat de samenwerking tussen mij en mijn broer niet bepaald goed was. Het had niets te maken met respectloosheid voor elkaars talent, maar puur met de mens Hans en de mens Jules. Echt privé. Ik heb er niet de leukste herinneringen aan. Ik vond het trouwens wel fantastisch om vijfennegentig keer met mijn kinderen op het toneel te staan. Niels speelde erg goed en integer en Vincent ontroerde me tot in mijn ziel.’
Vincent: ‘Het kwam op een ongelukkig moment voor mij. Het was net een periode waarin ik me een beetje wilde losmaken van mijn familie en niet meer puur als een Croiset gezien wilde worden. Ik ging dus iets doen waartegen ik me tegelijkertijd ook verzette. Toen ik in het tweede bedrijf een pittige confrontatie met mijn vader moest uitlokken, vond ik dat ook moeilijk om te doen. Ik kende dat conflict niet uit mijn eigen leven. Ik was nog nooit erg boos geweest op mijn vader. Ook die hele crisis was bij ons nog niet uitgesproken of besproken.’
Niels: ‘Het was iets te veel van het goede, iets te veel hetzelfde bij elkaar. ’

Ooit weer samen op het toneel?
Jules: ‘Het is uniek om met je kinderen op het podium te staan. Ik zou het zeker weer doen. Het is ook een grote droom van mij om ooit nog met Tjits in een toneelstuk te staan. Ik zou er zelfs een schrijver een opdracht voor willen geven.’
Niels: ‘Afzonderlijk heb ik met mijn hele familie fijn samengewerkt. Ik heb met mijn vader een half jaar getoerd met de voorstelling Partij kiezen en heb daar heel dierbare herinneringen aan overgehouden. Hans heeft me als regisseur in de voorstelling Lucifer tot grote hoogte gebracht en met mijn broer heb ik een prachtige zomer gehad toen we samen in Romeo en Julia speelden. Inmiddels hebben ook zowel mijn vader, broer als Hans een keer bij Nachtgasten gespeeld. Als ik hen als jonkie van de familie kan uitnodigen bij mijn eigen gezelschap maakt dat me bijzonder trots.’


De geschiedenis van het toneelgeslacht Croiset begint bij de Vlaamse actrice Marie Verstraete (1853-1928). Haar zoon Jules Verstraete (1883-1951) werd ook acteur, net als zijn vier kinderen Guus, Bob, Jeanne en Mieke. Jeanne Verstraete (1912-2002) trouwde met acteur en voordrachtskunstenaar Max Croiset (1912-1993), op zijn beurt de zoon van voordrachtskunstenaar Hijeman Croiset (1877-1925). Max en Jaenne kregen twee zonen: Hans (1935) en Jules (1937) Croiset.

*In 1987 zette Jules Croiset zijn eigen ‘neofascistische’ ontvoering in scène, compleet met dreigbrieven aan zijn eigen familie. Hij wilde op die manier een uitvoering van het toneelstuk Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder voorkomen. De vader van Jules was joods en het stuk zou te kwetsend zijn voor de joodse gemeenschap. De Belgische politie ontmaskerde de daad. Na de affaire verbrak vader Max het contact met Jules.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen